Psaสดด Psalmenสดุดี, psalmบทที่ Het boek Psalmenสดุดี, psalmบทที่ 22

ฉบับแปล

Voor muziekbegeleiding; wijze: De hinde van de dageraad. Een psalm van David. Mijn God, mijn God, zie op mij neer; Waarom hebt Gij mij verlaten? Waarom houdt Gij U ver van mijn hulp, Ver van mijn jammerklachten, mijn God? Mat 27:46; Mrk 15:34Ik roep overdag, Gij antwoordt niet; Des nachts, maar ik vind geen rust. Toch troont Gij in het heiligdom, Gij, Israëls hoop! Op U hebben onze vaderen vertrouwd, Op U zich verlaten, Gij hebt ze verlost; Psa 107:6Tot U geroepen, ze werden gered, Op U gerekend, ze zijn niet beschaamd. Psa 25:2Doch ik ben maar een worm en geen mens, Door de wereld bespot, veracht door het volk; Al die mij zien, lachen mij uit, Grijnzen, en schudden meewarig het hoofd: Mat 27:39“Hij heeft op Jahweh vertrouwd. Laat Die hem nu helpen, En hem verlossen, wanneer Hij hem liefheeft!” Mat 27:43Ja, Gij zijt het, die mij uit de schoot hebt genomen, Die mij veilig deedt rusten aan de borst mijner moeder; Psa 71:6Bij mijn geboorte werd ik op uw knieën gelegd, Gij zijt mijn God van de moederschoot af. Blijf dus niet verre van mij, Want de nood is nabij, en er is niemand die helpt! Bonkige stieren staan om mij heen, Buffels van Basjan omsingelen mij; Amo 4:1; Mat 27:20Ze sperren hun muil naar mij open Als verscheurende, brullende leeuwen. Als water ben ik uitgegoten, Al mijn beenderen zijn ontwricht; Mijn hart is als was, Smelt weg in mijn borst. Mijn keel is droog als een scherf, Mijn tong kleeft aan mijn gehemelte vast; En in het stof van de dood Strekt Gij mij neer. Jhn 19:28Dan komen honden om mij heen, Een bende boosdoeners houdt mij omlegerd; Ze doorboren mijn handen en voeten, Mat 27:27Al mijn beenderen kan ik tellen. Ze werpen begerige blikken, En gluren mij aan; Luk 23:35Verdelen mijn kleren onder elkander, En loten om mijn gewaad. Mat 27:35; Mrk 15:24; Luk 23:34; Jhn 19:24O Jahweh, blijf toch niet in de verte; Mijn Sterkte, snel mij te hulp! Bescherm mijn leven tegen het zwaard, Het enige, dat mij nog rest, tegen de honden; Red mij uit de muil van den leeuw, Mij arme, van de hoornen der buffels. Dan zal ik uw Naam aan mijn broeders verkonden, In de kring der gemeente U prijzen: Jhn 20:17; Heb 2:12“Looft Jahweh, gij die Hem vreest, Heel Jakobs geslacht; Brengt Hem ere en siddert voor Hem, Alle kinderen van Israël!” “Want nimmer heeft Hij versmaad of veracht De ellende van den verdrukte; Zijn aanschijn voor hem niet verborgen, Maar hem verhoord, als hij Hem riep!” Heb 5:7Dit zal mijn danklied voor U zijn In de grote gemeente! Dan zal ik ook mijn belofte vervullen Aan hen, die Hem vrezen: Psa 35:18De armen zullen eten, En worden verzadigd; Die Jahweh zoeken, zullen Hem loven. En hun hart zal eeuwig worden verkwikt. Sng 5:1; Isa 65:13; Luk 1:53Alle grenzen der aarde zullen het gedenken, En zich tot Jahweh bekeren, Alle stammen der heidenen Hem aanbidden! Psa 2:8; Isa 60:14Want Jahweh komt het koningschap toe, Hij is de Heerser der volken; Mat 6:10Hem alleen moeten huldigen alle machten der aarde! Dan buigen zich ook voor Hem neer, die in het stof zijn gezonken, En geen leven meer hebben. Isa 25:6; Isa 49:23Dan zal ook mijn zaad Hem dienen, En van den Heer gaan vertellen aan het volgend geslacht, Isa 53:10Zijn goedheid verhalen aan het volk, dat nog geboren moet worden: Dat het Jahweh was, die het volbracht!