Psa Psalmen, psalm Het boek Psalmen, psalm 32
Van David; een leerdicht. Gelukkig hij, wiens schuld is vergeven, Wiens zonde is bedekt; Rom 4:7Gelukkig de mens, wiens misdaad Jahweh niet langer gedenkt, In wiens geest geen onoprechtheid meer woont. 2Co 5:19Zolang ik bleef zwijgen, werd mijn gebeente verteerd Door mijn kreunen heel de dag; Want uw hand drukte dag en nacht op mij neer, En mijn merg droogde weg in verschroeiende gloed. Psa 38:4Maar toen ik U mijn zonde beleed, Mijn schuld niet verheelde, En sprak: “Ik wil Jahweh mijn misdaad bekennen”; Toen hebt Gij de schuld mijner zonde vergeven. Pro 28:13; 1Jn 1:9Daarom moeten alle vromen U om vergiffenis smeken, Zolang Gij U nog vinden laat; Dan zullen bij de stortvloed de onstuimige wateren Hèn niet bereiken. Isa 55:6Gij zijt mijn schutse, en behoedt mij voor rampspoed, Gij omringt mij met jubel van heil! Psa 9:9Nu wil ik u onderricht geven, De weg wijzen, die ge moet gaan; Ik wil u raden, En mijn oog op u richten. Psa 25:12; Pro 4:11; Deu 11:12Wees niet als paarden Of muilezels zonder verstand, Die men moet mennen met toom en gebit, Of ze gehoorzamen niet. Pro 26:3Veel kommer valt den boze ten deel, Maar de genade omringt wie op Jahweh vertrouwt. Isa 57:20Verblijdt u in Jahweh en jubelt, gij vromen, Juicht allen, oprechten van hart!