Num NumeriDân số, hoofdstukchương Het boek NumeriDân số, hoofdstukchương 33

Bản dịch

Dit zijn de halten van de Israëlieten, nadat zij onder leiding van Moses en Aäron met hun legerscharen uit Egypte waren opgetrokken. Op bevel van Jahweh schreef Moses hun zwerftochten op volgens de halten, die zij hadden gemaakt. En dit waren hun verschillende halten, die zij op hun zwerftochten hadden gemaakt. Op de vijftiende dag van de eerste maand, braken zij op van Raämses, daags na Pasen trokken de Israëlieten onder machtige schutse ten aanschouwen van heel Egypte weg, Exo 12:37terwijl de Egyptenaren al de eerstgeborenen begroeven, die Jahweh onder hen had getroffen, en Jahweh aan hun goden de strafgerichten voltrok. Exo 12:12; Isa 10:10Nadat de Israëlieten van Raämses waren opgetrokken, legerden zij zich te Soekkot. Van Soekkot trokken zij verder en legerden zich te Etam, dat op de grens van de woestijn ligt. Exo 13:20Van Etam trokken zij verder, maar sloegen de richting in naar Pi-Hachirot, dat ten oosten van Báal-Sefon ligt, en legerden zich voor Migdol. Exo 14:2Van Pi-Hachirot trokken zij verder, gingen midden door de zee naar de woestijn, trokken drie dagreizen ver de woestijn Etam in, en legerden zich te Mara. Jos 4:22; Psa 114:3; 1Co 10:1Van Mara trokken zij verder, en kwamen te Elim; te Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen, en zij legerden zich daar. Exo 15:27Van Elim trokken zij verder, en legerden zich aan de Rode Zee. Van de Rode Zee trokken zij verder, en legerden zich in de woestijn Sin. Exo 16:1Van de woestijn Sin trokken zij verder, en legerden zich te Dofka. Van Dofka trokken zij verder, en legerden zich te Aloesj. Van Aloesj trokken zij verder, en legerden zich te Refidim; daar was geen water voor het volk, om te drinken. Exo 17:1Van Refidim trokken zij verder, en legerden zich in de woestijn van de Sinaï. Exo 19:2Van de woestijn Sinaï trokken zij verder, en legerden zich te Kibrot-Hattaäwa. Num 11:35Van Kibrot-Hattaäwa trokken zij verder, en legerden zich te Chaserot. Van Chaserot trokken zij verder, en legerden zich te Ritma. Num 11:35; Num 12:16Van Ritma trokken zij verder, en legerden zich te Rimmon-Péres. Van Rimmon-Péres trokken zij verder, en legerden zich te Libna. Van Libna trokken zij verder, en legerden zich te Rissa. Van Rissa trokken zij verder, en legerden zich te Keheláta. Van Keheláta trokken zij verder, en legerden zich bij de berg Sjéfer. Van de berg Sjéfer trokken zij verder, en legerden zich te Charada. Van Charada trokken zij verder, en legerden zich te Makhelot. Van Makhelot trokken zij verder, en legerden zich te Táchat. Van Táchat trokken zij verder, en legerden zich te Térach. Van Térach trokken zij verder, en legerden zich te Mitka. Van Mitka trokken zij verder, en legerden zich te Chasjmona. Van Chasjmona trokken zij verder, en legerden zich te Moserot. Van Moserot trokken zij verder, en legerden zich te Bene-Jaäkan. Deu 10:6Van Bene-Jaäkan trokken zij verder, en legerden zich te Chor-Haggidgad. Van Chor-Haggidgad trokken zij verder, en legerden zich te Jotbáta. Van Jotbáta trokken zij verder, en legerden zich te Abrona. Van Abrona trokken zij verder, en legerden zich te Es-jon-Géber. 1Ki 9:26Van Es-jon-Géber trokken zij verder, en legerden zich in de woestijn Sin, dat is Kadesj. Num 20:1; Num 20:22Van Kadesj trokken zij verder, en legerden zich bij de berg Hor aan de grens van het land Edom. Num 20:22De priester Aäron besteeg op bevel van Jahweh de berg Hor, en stierf daar in het veertigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, op de eerste van de vijfde maand. Num 20:25; Deu 32:50Aäron was honderd drie en twintig jaar oud, toen hij op de berg Hor stierf. Daar de kanaänietische koning van Arad, die in de Négeb van het land Kanaän woonde, vernomen had, dat de Israëlieten in aantocht waren, Num 21:1trokken zij van de berg Hor verder, en legerden zich te Salmona. Van Salmona trokken zij verder, en legerden zich te Poenon. Van Poenon trokken zij verder, en legerden zich te Obot. Num 21:10Van Obot trokken zij verder, en legerden zich te Ijje-Haäbarim, in het gebied van Moab. Num 21:11Van Ijje-Haäbarim trokken zij verder, en legerden zich te Dibon-Gad. Van Dibon-Gad trokken zij verder, en legerden zich te Almon-Diblatáim. Van Almon-Diblatáim trokken zij verder, en legerden zich bij het gebergte Abarim tegenover Nebo. Num 21:1; Deu 34:1Van het gebergte Abarim trokken zij verder, en legerden zich in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho. Num 22:1Hun legerplaatsen bij de Jordaan strekten zich uit van Bet-Hajjesjimot af tot aan Abel-Hassjittim in de velden van Moab. Num 25:1; Jos 2:1In de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho sprak Jahweh tot Moses: Num 25:17Beveel de Israëlieten, en zeg hun: Wanneer gij de Jordaan zijt overgetrokken naar het land Kanaän, dan moet gij al de bewoners van het land verjagen, en al hun gehouwen beelden stukslaan, al hun gegoten beelden vernielen en al hun hoogten verwoesten. Exo 23:24; Deu 7:5; Lev 26:30Dan zult gij het land in bezit nemen en er u vestigen; want aan u heb Ik het land in eigendom gegeven. Deu 7:2; Jos 11:12Gij moet het land door loting onder uw geslachten verdelen; aan een talrijk geslacht moet gij een groot stuk geven, aan een minder talrijk een klein. Ge moet het dus onder de voorvaderlijke stammen zo verdelen, dat iedereen krijgt, wat hem door het lot wordt toegewezen. Maar wanneer gij de bewoners van het land niet verjaagt, dan zullen zij, die gij ervan overlaat, als doornen in uw ogen zijn en als prikkels in uw zijden; zij zullen u in uw eigen land verdrukken. Exo 23:33; Exo 34:12; Deu 7:16En zoals Ik besloten had, hen te behandelen, zo zal Ik het u doen.