Tit Titus, hoofdstuk De brief aan Titus, hoofdstuk 1
Paulus, dienaar van God en apostel van Jesus Christus, -terwille van het geloof van Gods uitverkorenen en de kennis der waarheid, die in vroomheid wortelt, 1Ti 3:16terwille ook van de hoop op het eeuwige leven, dat de waarachtige God vóór eeuwige tijden heeft beloofd, Num 23:19; Rom 16:25en te zijner tijd als zijn woord heeft geopenbaard door de prediking, die mij is toevertrouwd door beschikking van God onzen Zaligmaker: Gal 1:15; Eph 3:8; Col 1:28; 2Ti 1:11aan Titus, zijn rechtgeaard kind in gemeenschappelijk geloof: Genade en vrede van God den Vader, en van Christus Jesus onzen Verlosser. Ik heb u op Kreta achtergelaten, opdat ge zoudt voltooien wat nog onafgedaan bleef, en in iedere stad priesters zoudt benoemen, naar de eisen welke ik u heb vastgesteld: namelijk slechts iemand, die onberispelijk is, die slechts éénmaal is gehuwd en gelovige kinderen heeft, welke niet van losbandigheid en weerspannigheid worden beschuldigd. 1Ti 3:4Want een bisschop moet onberispelijk zijn als huishouder Gods; niet verwaand, niet driftig, geen drinker, geen vechter, niet uit op winstbejag; Lev 10:9; 1Ti 3:3maar gastvrij, deugdzaam, bezonnen, rechtvaardig, vroom en matig; hij moet zich houden aan de prediking, die strookt met de ware leer, opdat hij met gezonde onderrichting vermanen kan en de tegensprekers weerleggen. 1Ti 6:3Want er zijn veel weerspannigen, holle praters en verleiders, heel in het bijzonder onder de besnedenen. Rom 16:17Ge moet hun de mond stoppen; anders zetten ze ganse gezinnen overhoop, door onbehoorlijke dingen te leren uit winstbejag. Een hunner, hun eigen profeet, zegt: “Kretenzen zijn altijd leugenaars, boos vee, vadsige buiken,” en deze getuigenis is waar; daarom moet ge ze streng aanpakken, opdat ze gezond worden in het geloof, en zich niet afgeven met joodse fabels en inzettingen van mensen, die de waarheid de rug toekeren. Mat 15:9; Mrk 7:7; 1Ti 1:4Alles is rein voor de reinen; maar voor den onreine en ongelovige is niets rein, doch bij hem is bevlekt èn verstand èn geweten. Mat 15:11; Rom 14:14Ze geven voor, God te kennen, maar ze verloochenen Hem door hun gedrag; want ze zijn verfoeilijk, weerspannig en voor geen enkel goed werk geschikt.2Ti 3:5