Heb HebreeënHebreohanon, hoofdstukkapitulo De brief aan de HebreeënAng Sulat sa Mga Hebreohanon, hoofdstukkapitulo 1

Mga hubad

Nadat God eertijds vele malen en op velerlei wijzen tot de Vaders gesproken heeft door de Profeten, Num 12:6; 1Pe 1:10heeft Hij aan het einde dezer dagen tot ons gesproken door den Zoon, dien Hij gesteld heeft tot erfgenaam van al zijn bezit en door wien Hij de wereld gemaakt heeft. Psa 2:8; Isa 9:6; Jhn 1:3; Jhn 8:26; Jhn 15:15; Gal 4:4; Eph 1:10Deze is de afstraling zijner Glorie en de afdruk van zijn Wezen, en Hij draagt het heelal door het woord zijner Macht; Hij heeft de reiniging van zonden bewerkt, en toen Zich neergezet aan de rechterhand der Majesteit in den hoge. Psa 110:1; 2Co 4:4; Eph 1:7; Col 1:15Even hoog staat Hij boven de engelen, als de Naam, die Hij ontving, voortreffelijker is dan de hunne. Php 2:9Want tot wien der engelen heeft Hij ooit gezegd: “Gij zijt mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt.” Of wederom: “Ik zal Hem tot Vader zijn, En Hij zal Mij wezen tot Zoon.” Psa 2:7; 2Sa 7:14; 1Ch 17:13; Heb 5:5En wanneer Hij den Eerstgeborene de wereld binnenleidt, zegt Hij opnieuw: “Alle engelen Gods moeten Hem aanbidden.” Psa 97:7En van de engelen zegt Hij: “Die zijn engelen geesten maakt, En zijn knechten vlammend vuur.” Psa 104:4Maar van den Zoon: Uw troon, o God, is in de eeuwen der eeuwen, En uw koningschepter is de schepter van het recht. Luk 1:32Gij hebt gerechtigheid bemind, En ongerechtigheid gehaat. Daarom, o God, heeft uw God U gezalfd, Met vreugde-olie boven uw genoten. Psa 45:6; Isa 61:1; Jhn 3:34; Act 4:27En: Heer, in den beginne hebt Gij de aarde gegrond, En de hemelen zijn de werken uwer handen. Zij zullen vergaan, maar Gij blijft! Als een kleed zullen ze allen verslijten. Isa 34:4; Isa 51:6; Mat 24:35Als een mantel rolt Gij ze op, En als een kleed zullen ze worden verwisseld. Maar Gij blijft dezelfde, En uw jaren nemen geen einde. Psa 102:25En tot wien der engelen sprak Hij ooit: “Zet U aan mijn rechterhand, Totdat Ik uw vijanden leg als een voetbank voor uw voeten.” Psa 110:1; Mrk 12:36; Mrk 16:19; Eph 1:20Zijn ze niet allen dienstbare geesten, uitgezonden tot hulp van hen, die de zaligheid zullen beërven?Gen 19:16; Psa 34:7; Psa 91:11; Psa 103:21; Act 5:19