Psa Psalmen, psalm Het boek Psalmen, psalm 36
Voor muziekbegeleiding. Van David, den dienaar van Jahweh. De zonde fluistert den boze haar inblazingen toe. In het diepst van zijn hart; Geen vreze Gods Staat hem voor ogen. Gen 20:11Want ze heeft hem met blindheid geslagen, Zodat hij zijn misdaad kent noch haat. 2Ki 17:9Het woord van zijn mond Is leugen en bedrog. Hij weigert, zich verstandig en goed te gedragen; Zelfs op zijn sponde bedenkt hij nog slechtheid. Het verkeerde pad gaat hij op, En wendt zich niet af van het kwaad. Mic 2:1; Rom 12:9Maar uw goedheid, o Jahweh, reikt tot de hemel, En tot aan de wolken uw trouw; Psa 57:10Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Als de onmetelijke oceaan uw gericht. Mensen en dieren helpt Gij, o Jahweh; Rom 11:33; Jon 4:11; 1Co 9:9Hoe heerlijk is uw genade, o God! Daarom zoeken de kinderen der mensen Hun toevlucht in de schaduw uwer vleugelen; Job 36:11; Psa 17:8Zij verzadigen zich met het vet van uw woning, Gij laaft ze aan uw stroom van geneugten. Isa 25:6; 2Co 8:9; Rev 21:6Want bij U is de bron van het leven, In ùw licht aanschouwen wij licht. Blijf uw goedertierenheid tonen aan hen, die U vrezen, Uw gerechtigheid aan de oprechten van hart; Laat geen trotse voet mij vertrappen, Geen goddeloze vuisten mij slaan. Maar waar de zondaars vallen, Laat ze daar liggen, en nimmermeer opstaan.