Sng Hooglied, hoofdstuk Het Hooglied, hoofdstuk 1
Het hooglied van Salomon. Drenk mij met de kussen van uw mond; Want uw liefde is zoeter dan wijn. Eph 5:32; Sng 4:10Heerlijk is de geur van uw balsem, Uw naam is het kostbaarst aroom. Daarom hebben de meisjes u lief. Psa 45:7Neem mij mede, laat ons vluchten; Want de koning heeft mij in zijn vertrekken gebracht! Wij willen juichen, in u ons verblijden, Uw liefde roemen, hoger dan wijn, Terecht beminnen zij u! Psa 45:8Wel ben ik donker, Maar toch nog schoon, Jerusalems dochters: Als de tenten van Kedar, De paviljoenen van Sjalma. Psa 45:13; Psa 120:5Let er niet op, dat ik zwart ben, En van de zon ben verbrand; Want de zonen van mijn moeder waren boos op mij, En lieten mij de wijngaarden bewaken….Maar mijn eigen wijngaard bewaakte ik niet! Rev 7:16Bericht mij toch, mijn zielsbeminde, Waar ge uw kudde laat weiden, Waar ge ze in de middag laat rusten? Want waarom zou ik gaan zwerven Bij de kudden uwer vrienden? Sng 3:1; Jhn 1:41; Sng 5:9Als ge het niet weet, Schoonste der vrouwen, Volg dan het spoor van de kudde, En hoed uw geiten Bij de tenten der herders. Met het span van Farao’s wagens Vergelijk ik u, liefste; 1Ki 10:28; Sng 2:2; Jhn 15:14Hoe bekoorlijk uw wangen tussen de hangers, Uw hals in de snoeren. Ezk 16:11Gouden hangers laten we u maken, Met plaatjes van zilver. Zolang de koning in zijn harem verbleef, Straalde mijn nardus haar geur. Want mijn beminde is mij een bundeltje mirre, Dat op mijn boezem blijft rusten; Mijn beminde is mij een cyper-tros, Van Engédi’s gaarden. Jhn 15:1; 1Sa 23:29Wat zijt ge verrukkelijk, mijn liefste, Uw ogen zijn duiven. Sng 4:1Wat zijt ge verrukkelijk schoon, mijn beminde Ons rustbed is in het groen! De binten van ons paleis zijn ceders, Onze wanden cypressen.