ProPrz SpreukenPrzysłów, hoofdstukrozdział Het boek SpreukenKsięga Przysłów, hoofdstukrozdział 17

Przekłady Porównaj

Beter een droog stuk brood met vrede erbij, Dan een huis vol feestmaaltijden en twist. Pro 15:17Een verstandige knecht heeft meer te zeggen dan een ontaarde zoon, En deelt met diens broeders de erfenis. Sir 10:28De smeltkroes voor het zilver, de oven voor het goud; Maar de harten toetst Jahweh! Pro 27:21; Sir 2:5; Jer 17:10De boosdoener luistert naar zondige taal, De valsaard heeft oor voor heilloze woorden. Wie een arme bespot, smaadt zijn Schepper; Wie leedvermaak heeft, blijft niet ongestraft. Pro 14:31Kleinkinderen zijn de kroon der grijsaards, Vaders de trots van hun kinderen. Psa 128:6; 2Ti 1:5Als oprechte taal een dwaas niet staat, Past een edelman zeker geen leugentaal. Het geschenk is een toversteen voor wie het geeft; Waarheen hij zich wendt, hij heeft succes. Wie een misdaad bemantelt, zoekt de vrede te bewaren; Wie de zaak weer ophaalt, brengt onenigheid tussen vrienden. Pro 10:12; Sir 6:5Op een verstandig mens maakt één vermaning meer indruk, Dan honderd slagen op een dwaas. Een boze zoekt enkel verzet; Daarom stuurt men een wreden bode op hem af. Beter een berin te ontmoeten, van haar jongen beroofd, Dan een dwaas in zijn dwaasheid. Als iemand goed met kwaad vergeldt, Zal van zijn huis het kwaad niet wijken. Deu 32:35; 1Pe 3:9; Rom 12:17; Rom 12:19; 1Th 5:15Als ruzie ontstaat, is het hek van de dam; Bind dus in, voor de twist losbarst. Wie een boosdoener vrijspreekt en een onschuldige veroordeelt, Zijn beiden een even grote gruwel voor Jahweh. Pro 24:24; Isa 5:23Waartoe dient geld in de hand van een dwaas, Om wijsheid te kopen, als hij toch geen verstand heeft? Een vriend laat altijd zijn genegenheid blijken, In tijd van nood toont hij zich als een broeder. Pro 18:24; Sir 12:8Hoe kortzichtig de mens, die handslag geeft, En zich borg stelt voor zijn naaste. Pro 6:1; Pro 11:15Wie op ruzie gesteld is, is op zonde gesteld; Wie hooghartig spreekt, zoekt zijn eigen val. Een vals karakter zal geen zegen ondervinden; Wie zijn woorden verdraait, zal in het ongeluk storten. Pro 6:14Wie een domoor verwekt heeft, heeft zich hartzeer bezorgd; De vader van een zot kent geen vreugde. Pro 15:20Een blij hart doet het lichaam goed, Neerslachtigheid verdort het gebeente. Pro 15:13De boze neemt een geschenk uit de buidel aan, Om de wegen van het recht te verdraaien. Pro 21:14De verstandige houdt de wijsheid voor ogen, De ogen van een domoor dwalen af naar de uithoeken der aarde. Ecc 2:14; Ecc 8:1Een dom kind is een ergernis voor zijn vader, Een verdriet voor haar, die het baarde. Pro 15:20Onschuldigen beboeten is al niet goed; Maar edele mensen slaan, gaat alle perken te buiten! Wie verstandig is, is spaarzaam met zijn woorden; Een man van ervaring is koelbloedig. Jas 1:19Als hij zwijgt, geldt zelfs een dwaze voor wijs; Als hij zijn mond maar houdt, voor verstandig.