2Sa2 ซมอ 2 Samuel2 ซามูเอล, hoofdstukบทที่ Het tweede boek Samuel2 ซามูเอล, hoofdstukบทที่ 23

ฉบับแปล เปรียบเทียบ

Hier volgen de laatste woorden van David: Een spreuk van David, den zoon van Jesse; Een spreuk van den held, zo hoog verheven: Den gezalfde van Jakobs God, Den zanger van Israëls psalmen. 2Sa 7:12; Col 3:16De geest van Jahweh heeft door mij gesproken, Zijn woord ligt nog op mijn tong; Act 1:16; Mrk 12:36Gesproken heeft de God van Jakob, Tot mij heeft Israëls Rots gezegd: “Wie rechtvaardig de mensen regeert, En heerst in de vreze des Heren; Exo 17:5Hij is als het morgenlicht bij het stralen der zon Op een wolkenloze morgen; Als de zonneschijn na de regen, Die het groen uit de grond doet ontluiken.” Jhn 1:4; Psa 110:3; Pro 4:18Zo blijft mijn huis bestendig voor God, Want Hij sloot met mij een eeuwig verbond; Onder ieder opzicht vast en verzekerd Is heel mijn geluk, zijn al mijn verlangens. 2Sa 7:15Maar Belialskinderen zal Hij niet doen gedijen, Als doornen werpt men ze allen weg: Men vat ze niet met de hand, Psa 58:9; Heb 6:8En niemand grijpt ze vast, Tenzij met ijzer en hout, Om ze tenslotte in de vlammen te werpen. Isa 1:31Hier volgen de namen van Davids helden. Isj-Bósjet uit Chakmon was de aanvoerder van de Drie. Hij zwaaide zijn bijl tegen achthonderd man, die hij in één keer versloeg. 1Ch 11:11Na hem kwam Elazar, de zoon van Dodo, den Achochiet, ook een van de drie helden. Hij bevond zich met David te Pas-Dammim, toen de Filistijnen zich daar verzameld hadden voor de strijd. En toen de Israëlieten voor hen terugtrokken, 1Ch 11:12; 1Ch 27:4sprong hij op, en sloeg de Filistijnen, totdat zijn spieren zo stijf waren, dat hij zijn zwaard niet meer los kon laten. Die dag verleende Jahweh een grote overwinning; het volk sloot zich weer bij hem aan, maar het was toch alleen om te plunderen. 1Sa 11:13; 1Sa 14:45Na hem kwam Sjamma, de zoon van Aga uit Harari. Eens, toen de Filistijnen zich voor de strijd te Lechi verzameld hadden, waar een stuk land was, vol met linzen, was het volk voor de Filistijnen op de vlucht geslagen. Maar hij ging midden op het veld staan, en wist het te behouden, door de Filistijnen te verslaan. Zo verleende Jahweh een grote overwinning. Een andere keer daalden ze met hun drieën af, en kwamen tegen de oogst bij David in de spelonk van Adoellam, terwijl een bende Filistijnen in de vallei der Refaïeten gelegerd was. 1Ch 11:15David bevond zich toen in de bergvesting, en de Filistijnen hadden Betlehem bezet. 1Ch 11:16Toen nu David eens het verlangen te kennen gaf, of iemand hem water te drinken kon geven uit de bron bij de poort van Betlehem, 1Ch 11:17drongen de drie helden in de legerplaats van de Filistijnen, putten water uit de bron bij de poort van Betlehem, namen het mee en brachten het bij David. Maar hij wilde het niet drinken, en goot het uit voor Jahweh, terwijl hij uitriep: Bij Jahweh; ik denk er niet aan, zo iets te doen. Dat is het bloed van de mannen, die met gevaar van hun eigen leven er op uit zijn gegaan! Daarom wilde hij het niet drinken. Zulke dingen deden de drie helden. 1Ch 11:19Abisjai, de broer van Joab en de zoon van Seroeja, was de aanvoerder van de Dertig. Hij zwaaide zijn lans tegen driehonderd man, die hij doodde. 1Ch 11:20; 2Sa 21:17Ongetwijfeld was hij beroemder dan de Dertig, zodat hij hun aanvoerder werd; maar tegen de Drie kon hij niet op. Benaja, de zoon van Jehojada, was een dapper man uit Kabseël, met een rijke staat van dienst. Hij versloeg de twee zonen van Ariël uit Moab. Ook doodde hij midden in een kuil een leeuw op een dag, dat er sneeuw lag. 1Ch 11:22; 1Ch 27:5; Jos 15:21Verder versloeg hij een Egyptenaar, een man van ongewone afmetingen, die met een lans was gewapend; hij ging met een stok op hem af, wrong hem de lans uit de vuist en stak hem met zijn eigen lans dood. Zulke dingen deed Benaja, de zoon van Jehojada! Daardoor was hij beroemder dan de Dertig, maar tegen de Drie kon hij niet op. Hem stelde David over zijn lijfwacht aan. Tot de Dertig behoorden Asaël, de broer van Joab; Elchanan, de zoon van Dodo uit Betlehem; 1Ch 11:26; 1Ch 27:7Sjamma uit Charod; Elika uit Charod; Chéles uit Bet-Pélet; Ira de zoon van Ikkesj uit Tekóa; Abiézer uit Anatot; Meboennai uit Choesja; Salmon uit Achochi; Maharai uit Netófa; Chéleb, de zoon van Baäna uit Netófa; Ittai, de zoon van Ribai uit Géba der Benjamieten; 1Ch 27:15Benajáhoe uit Piraton; Hiddai uit Nachale-Gáasj; 1Ch 11:31; 1Ch 27:14Abibáal uit Bet-Arba; Azmáwet uit Bachoerim; Eljachba uit Sjaälbon; Jasjen uit Goen; Jehonatan; Sjamma uit Harar; Achiam, de zoon van Sjarar, uit Harar; Elifélet, de zoon van Achasbai, uit Bet-Maäka; Eliam, de zoon van Achitófel, uit Gilo; Chesrai uit Karmel; Paärai uit Arbi; Jigal, de zoon van Natan, uit Soba; Bani uit Gad; Sélek, de Ammoniet; Nacharai uit Beërot, de wapendrager van Joab, den zoon van Seroeja; Ira uit Jéter; Gareb uit Jéter; Oerija de Chittiet. In het geheel waren er dus zeven en dertig.2Sa 11:3; 2Sa 11:6