Isa Jesaja, hoofdstuk Het boek Jesaja, hoofdstuk 1
De visioenen, die Isaias, de zoon van Amos, over Juda en Jerusalem zag in de dagen van Ozias, Jotam, Achaz en Ezekias. Hemelen hoort, en aarde luister: Want het is Jahweh, die spreekt! Ik bracht kinderen groot, en voedde ze op: Maar ze zijn Mij ontrouw geworden. Deu 32:1Een os kent zijn meester, Een ezel de krib van zijn heer: Maar Israël kent zo iets niet, Mijn volk begrijpt het niet eens. Deu 32:6Wee die zondige natie, Dat volk, beladen met schuld; Dat goddeloos ras, Dat bedorven broed! Ze hebben Jahweh verlaten, Israëls Heilige verloochend, Hem de rug toegekeerd. Isa 30:9; Isa 57:3Waar wilt ge nú nog worden geslagen, Dat ge u altijd verzet? Het hoofd is helemaal ziek, Het hart kwijnt heel en al weg. Jer 2:30; Jer 4:19Van voetzool tot schedel geen gave plek; Maar builen, striemen en verse wonden: Niet uitgedrukt, niet verbonden, Niet met olie verzacht. Deu 28:35Uw land verwoest, Uw steden verbrand; Uw akkers onder uw ogen door vreemden verteerd, Vernield, als onder een stortvloed bedolven. Deu 28:51; Isa 5:5Eenzaam de dochter van Sion, als een hut in de wijngaard, Als een hok in de moestuin, een belegerde stad! Ach, zo Jahweh der heirscharen ons geen rest had gelaten, Wij waren als Sodoma, en aan Gomorra gelijk! Lam 3:22; Rom 9:29; Gen 19:24; Jer 23:14Hoort dan het woord van Jahweh, vorsten van Sodoma, Volk van Gomorra, luister naar de les van onzen God: Wat geef Ik om uw talloze offers, Spreekt Jahweh! Ik ben zat van de offers van rammen, En van het vet van kalveren; Het bloed van stieren, van lammeren en bokken, Ik lust het niet meer. Pro 15:8; Isa 66:3; Jer 6:20; Amo 5:21Opgaan, om mijn aanschijn te zien, Mijn voorhof betreden: wie eist het van u? Jer 7:22Neen, brengt geen nutteloze spijsoffers meer; De wierook walgt Mij. Nieuwe maan, sabbat of hoogtij: Ik duld geen feesten tezamen met misdaad; Pro 21:27Ik haat uw stonden en tijden, Ze zijn Mij een last; Ik ben moe ze te dragen. Heft gij uw handen omhoog, Ik sluit mijn ogen voor u, Ik luister niet eens, hoeveel gij ook bidt: Uw handen druipen van bloed; Pro 1:28; Jer 14:12; Ezk 8:18; Mic 3:4; Isa 59:3Wast u eerst, en wordt rein! Weg uw boosheid uit mijn ogen, Psa 34:14; 1Pe 3:11Houdt op met kwaad, leert het goede doen; Behartigt het recht, en helpt den verdrukte, Geef den wees wat hem toekomt, neemt het voor de weduwe op! Psa 82:4Komt, dan maken wij er met elkander een eind aan, Spreekt Jahweh! Al zijn uw zonden als scharlaken, ze zullen wit zijn als sneeuw, Of rood als purper, ze zullen blank zijn als wol. Isa 41:1; Isa 43:25; Isa 44:22Zo ge gewillig zijt en gehoorzaam, Zult ge het vette der aarde genieten; Lev 25:18Maar zo ge blijft weigeren, en u verzetten, Zal het zwaard u verslinden, zegt Jahweh’s mond. Ach, hoe is de trouwe, rechtschapen Stad ontuchtig geworden, Waar eens rechtvaardigen, nu moordenaars wonen. Mat 23:34; Mat 23:37Uw zilver is in afval veranderd, Uw wijn met water vervalst. Jer 6:30; Ezk 22:18Uw vorsten rebellen, en heulend met dieven, Allen tuk op geschenken, en loerend op fooi; Den wees geven ze niet wat hem toekomt, Voor de weduwe neemt niemand het op. Hos 9:15; Exo 22:22; Jer 5:28; Zec 7:10Daarom luidt de godsspraak des Heren, Van Jahweh der heirscharen, Israëls Sterke: Ha, Ik zal mijn woede koelen aan die Mij weerstreven, Mij op mijn vijanden wreken; Deu 28:63En op u zal Ik zwaar mijn hand laten drukken, U in de vuuroven louteren: De afval zuiveren Van al uw lood. Isa 1:22; Mal 3:2Dan zal Ik uw rechters weer maken als vroeger, Uw raadsheren weer als voorheen; Dan zult gij weer Stad der Gerechtigheid heten, Een veste van trouw! Jer 33:16Dan zal Sion door gerechtigheid worden verzoend, Door rechtschapenheid zijn bewoners; Maar de afvalligen en zondaars worden allen verpletterd, Die Jahweh verzaken, vernield. Job 31:3; Psa 1:6Dan zult ge u over de eiken schamen, waar ge zo naar verlangt, En over uw lusthoven blozen, Isa 65:3; Hos 4:13Wanneer ge zult zijn als een eik zonder blaren, Als een hof, die geen water meer heeft. Psa 1:3De rijkdom zal zijn als de pluizen van vlas, Die hem heeft opgestapeld, de vonk; Beiden zullen verbranden, En niemand zal blussen.Mal 4:1