RomRm RomeinenRomani, hoofdstukcapitolo De brief aan de RomeinenLettera ai Romani, hoofdstukcapitolo 8

Traduzioni

Voor hen, die Jesus Christus toebehoren, bestaat er dus thans geen verdoemenis meer. Rom 5:1Want de wet van den Geest, -een wet van leven in Christus Jesus, -heeft u bevrijd van de wet van zonde en dood. Jhn 6:63; Jhn 8:36; 1Co 15:45; 2Co 3:7Wat de Wet niet vermocht, machteloos als ze was door het vlees, dat heeft God gedaan: Door zijn eigen Zoon te zenden in de gedaante van het zondige vlees en terwille van de zonde, heeft Hij de zonde veroordeeld in het Vlees, 2Co 5:21; Gal 3:13; Heb 7:18opdat door ons de gerechtigheid der Wet zou worden vervuld; door ons, die leven niet naar het vlees, maar naar de geest. Immers, wie vleselijk zijn, streven naar vleselijke dingen; maar wie geestelijk zijn, naar geestelijke dingen. Jhn 3:6; 1Co 2:14Welnu, het streven van het vlees is de dood; maar het streven van de geest is leven en vrede. Rom 6:21Want het streven van het vlees staat vijandig tegen God; het onderwerpt zich niet aan Gods Wet, en zelfs kàn het dit niet; Jas 4:4wie vleselijk zijn, kunnen God niet behagen. Heb 11:6Welnu, gij zijt niet in het vlees, maar gij zijt in de geest, omdat de Geest van God in u woont; wie toch den Geest van Christus niet heeft, behoort Hem niet toe. 1Co 3:16Maar zo Christus in u is, dan is het lichaam wel dood door de zonde, doch de geest blijft in leven door de gerechtigheid. En zo in u woont de Geest van Hem, die Jesus uit de doden heeft opgewekt, dan zal Hij, die Christus Jesus uit de doden heeft opgewekt, ook uw sterfelijke lichamen ten leven verwekken door zijn Geest, die in u woont. Rom 6:4Broeders, we zijn dus niet aan het vlees verplicht, naar het vlees te leven. Rom 6:7En zo gij leeft naar het vlees, zult gij sterven; maar zo gij door den Geest de werken van het lichaam doodt, zult gij leven. Gal 5:19Allen toch, die door Gods Geest worden geleid, zijn kinderen Gods. Gal 5:18Want gij hebt geen geest van slavernij ontvangen, om terug te vallen in de vrees, maar de geest van kindschap, waardoor we roepen: “Abba, Vader!” 1Jn 4:18; 1Co 2:12; Heb 2:15De Geest zelf getuigt met onze geest, dat we kinderen zijn van God. Eph 4:30Zijn we kinderen, dan zijn we erfgenamen tevens; erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus, zo we met Hem lijden, om ook met Hem verheerlijkt te worden. Gal 4:7Want ik houd het er voor, dat het lijden dezer wereld niet opwegen kan tegen de heerlijkheid, die ons geopenbaard zal worden. 1Pe 4:13Reikhalzend toch smacht de schepping naar de openbaring der kinderen Gods. 2Pe 3:13Want de schepping is aan de vergankelijkheid onderworpen, niet uit eigen wil, doch door de wil van Hem, die ze daaraan onderwierp; maar toch met de hoop, dat ook de schepping zelf bevrijd zal worden van de slavernij der vergankelijkheid, om deelachtig te worden aan de vrijheid der glorie van de kinderen Gods. We weten toch, dat heel de schepping tezamen zucht en kreunt in barensweeën tot heden toe. En zij niet alleen, maar ook wij, die de eerstelingen des Geestes bezitten, ook wij zuchten in ons binnenste naar de verlossing van ons lichaam, in smachtend verlangen naar het kindschap. Luk 21:28; 1Jn 3:2; 2Co 5:4; Eph 4:30Want we zijn verlost om te hopen. Maar zien wat we hopen, is geen hopen meer; hoopt men soms nog wat men ziet? Heb 11:1Doch zo we hopen wat we niet zien, dan smachten we er naar met geduld. Eveneens komt ook de Geest onze zwakheid te hulp. Want we weten niet eens, wat we behoren te vragen; maar de Geest zelf smeekt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij, die de harten doorgrondt, Hij weet, waar de Geest naar verzucht, en hoe Deze voor de heiligen smeekt naar Gods wil. 1Sa 16:7; Jhn 14:17We weten ook, dat God alles ten goede leidt voor hen die Hem liefhebben, die naar zijn voorbeschikking zijn geroepen. Eph 1:4Want die Hij vooruit heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd, om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon, opdat Deze de Eerstgeborene onder vele broeders zou zijn. 2Co 3:18; Col 1:18Welnu, die Hij heeft voorbestemd, heeft Hij ook geroepen; en die Hij heeft geroepen, heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij heeft gerechtvaardigd, heeft Hij ook verheerlijkt. Rom 5:9; Rom 9:24Wat zullen we hieraan nog toevoegen? Wanneer God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Psa 56:11Hij, die zijn enigen Zoon niet gespaard heeft, maar voor ons allen heeft overgeleverd, hoe zou Hij ons tegelijk met Hem niet alles schenken? Jhn 3:16Wie zal de beschuldiger zijn van de uitverkorenen Gods? Is het God, die rechtvaardigt? Isa 50:9Wie zal veroordelen? Zal het Christus Jesus zijn, die gestorven is, of liever die is opgewekt, die zetelt aan Gods rechterhand, die ook onze Voorspreker is? 1Jn 2:1Of wie zal ons scheiden van Christus’ liefde? Wederwaardigheid of benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar of het zwaard? 1Jn 2:28; 2Co 12:10Zoals er geschreven staat: “Om Uwentwil worden we de ganse dag gedood, Worden we als slachtvee behandeld.” Psa 44:22Maar in dit alles zegepralen we glansrijk door Hem, die ons liefheeft. 1Jn 5:5; 1Co 15:57En ik ben er zeker van, dat dood noch leven, engelen noch heerschappijen, heden noch toekomst, geen machten, Eph 6:12geen hoogte of diepte, noch enig ander schepsel ons scheiden kan van Gods liefde in Christus Jesus, onzen Heer.