Lev Leviticus3. Moosese, hoofdstukpeatükk Het boek Leviticus3. Moosese raamat, hoofdstukpeatükk 18

Tõlked

Jahweh sprak tot Moses: Beveel de kinderen Israëls, en zeg hun: Ik ben Jahweh, uw God! Lev 11:44Gij moogt u niet gedragen naar de zeden van Egypte, waar gij gewoond hebt, noch naar die van Kanaän, waar Ik u heenvoer; naar hun zeden moogt ge niet leven. Mijn wetten moet ge volbrengen, mijn voorschriften onderhouden, en uw gedrag daarnaar richten. Ik ben Jahweh, uw God! Mat 15:3Onderhoudt dus mijn voorschriften en mijn wetten. De mens, die ze volbrengt, zal daardoor het leven behouden. Ik ben Jahweh. Ezk 20:11; Neh 9:29; Rom 10:5; Gal 3:12Niemand van u mag zijn naasten bloedverwant naderen, om er gemeenschap mee te houden. Ik ben Jahweh! 2Sa 16:22Gij moogt geen gemeenschap houden met uw vader, evenmin met uw moeder; want zij is uw moeder; met haar moogt gij dus geen gemeenschap hebben. Gen 9:22; Gen 19:32; Ezk 22:10Ge moogt geen gemeenschap houden met de vrouw van uw vader; want dan onteert ge uw vader. Deu 27:20; 2Sa 16:22; Ezk 22:10Ge moogt geen gemeenschap houden met uw zuster, de dochter van uw vader of die van uw moeder, onverschillig of zij in of buiten uw familie geboren is. Deu 27:22; 2Sa 13:12; Ezk 22:11Ge moogt geen gemeenschap houden met de dochter van uw zoon of met die van uw dochter; want dan onteert ge uzelf. Gij moogt geen gemeenschap houden met de dochter van uws vaders vrouw, die door uw vader is verwekt; zij geldt voor uw zuster; houd geen gemeenschap met haar. Gij moogt geen gemeenschap houden met de zuster van uw vader; zij is de naaste bloedverwant van uw vader. Lev 20:19Gij moogt geen gemeenschap houden met de zuster van uw moeder; want zij is de naaste bloedverwant van uw moeder. Gij moogt geen gemeenschap houden met den broeder van uw vader. Ook zijn vrouw moogt ge niet naderen; zij is uw tante. Lev 20:20Gij moogt geen gemeenschap houden met uw schoondochter; zij is de vrouw van uw zoon; houd geen gemeenschap met haar. Gen 38:16; Deu 27:23; Ezk 22:11Gij moogt geen gemeenschap houden met de vrouw van uw broer; want dan onteert ge uw broer. Lev 20:21; Mat 14:4; Mrk 6:18Ge moogt geen gemeenschap houden met een vrouw en tegelijk met haar dochter; evenmin moogt ge de dochter van haar zoon of die van haar dochter nemen, om gemeenschap met haar te houden; ze zijn uw bloedverwanten; zo iets is een schanddaad. Lev 20:14Gij moogt geen vrouw als bijvrouw naast haar zuster nemen, om ook met haar gemeenschap te houden, terwijl de andere nog leeft. Gij moogt een vrouw, die door haar stonden onrein is, niet naderen, om gemeenschap met haar te houden. Lev 15:19Gij moogt niet slapen bij de vrouw van uw naaste; daardoor verontreinigt gij u. Lev 20:10Geen van uw kinderen zult ge afstaan, om ze aan den Molok te wijden; want ge moogt de naam van uw God niet ontheiligen. Ik ben Jahweh! Lev 20:2; 2Ki 23:10Gij moogt niet bij een man liggen als bij een vrouw, dit is een gruweldaad. Rom 1:27; 1Co 6:9Gij moogt geen enkel dier misbruiken; daardoor bezoedelt ge u. Ook zal geen vrouw zich door een dier laten schenden; dit is tegennatuurlijke ontucht. Exo 22:19Bezoedelt u dus niet door dit alles. Want door al deze dingen zijn de volken besmeurd, die Ik voor u zal uitdrijven; Lev 20:23; 2Ki 17:15zo is het land verpest geworden, heb Ik zijn misdaad gewroken, en heeft het land zijn bewoners uitgespuwd. Isa 26:21Onderhoudt dus mijn voorschriften en wetten en laat niemand van de ingezetenen noch van de vreemdelingen, die in uw midden wonen, een van al die schanddaden bedrijven. Want al die gruwelen werden bedreven door die vóór u het land bewoonden, en het land is verpest geworden. Laat het land ook u niet uitspuwen, omdat ge het bezoedelt, zoals het de volken heeft uitgespuwd, die er vóór u hebben gewoond. Lev 20:22Waarachtig allen, die zo iets schandelijks bedrijven, zullen van hun volk worden afgesneden. Onderhoudt dus mijn geboden; gedraagt u niet naar die liederlijke zeden, waarnaar men vóór u heeft geleefd, en bezoedelt u daar niet mee. Ik ben Jahweh, uw God!Lev 19:37; Lev 20:8